’s Ochtends steekt al vroeg een stevige wind op. In de baai staat al 15 knopen, vanuit ZO. Jugo dus. Met een klein grootzeiltje en een halve fok koersen we 100 graden, richting het Pelješki Kanal tussen Korčula en Pelješac. Gedurende de dag neemt de wind gestaag toe tot ruim 25 knopen (voor de landrotten: dat is een goede windkracht 6) en wordt het knokken. De grote finale van dit gevecht komt bij de nadering van Orebic, ook een haven waar we nog nooit geweest zijn.

De haven is een beetje vreemd opgebouwd. Sowieso is de zee voor Orebić erg ondiep, een meter of 4 à 5. Dat zorgt ervoor dat de deining hoger wordt. Er ligt een grote golfbreker, met op de kop een groen lichtbaken. Echter, dwars op die golfbreker ligt nog een golfbreker. Achter deze golfbreker is de haven om af te meren. En net als we de haven naderen, en proberen uit te vinden waar de ingang is, gaan de hemelsluizen open. Letterlijk. Een enorme plensbui daalt op ons neer. We zien bijna geen hand voor ogen, en zijn binnen 30 seconden volkomen doorweekt. Gelukkig vinden we de haveningang. En daar doemt de volgende hindernis op. Een boot die op die dag duidelijk vol met toeristen op pad is geweest, ligt deinend op de golven zijn passagiers in de stromende regen te lozen midden in de haveningang. We manoeuvreren eromheen en leggen met z’n tweetjes de boot keurig achterwaarts in de haven neer. En net als we het laatste lijntje vastmaken stopt de regen even plotseling als ‘ie begonnen is.

Tja, en daar heb je dan natuurlijk verder geen foto’s van. Want met z’n tweetjes op een boot heb je op zo’n moment wel iets beters te doen dan foto’s nemen…

’s Avonds lekker gegeten bij Restaurant Karako. Gevonden door vanaf de haven de kust te volgen in oostelijke richting.